Geschiedenis van Friesland

Grofweg kunnen we het Friese landschap in drie delen verdelen. In het zuidoosten komen dekzanden aan de oppervlakte. Dit deel van de provincie ligt relatief hoog. Hier zijn ook de oudste sporen van bewoning van de provincie gevonden. Een ander, bijzonder deel van het zandlandschap is Gaasterland. Gaasterland ligt in het uiterste zuidwesten, op een keileemstuwwal die door de gletsjers uit de IJstijd is achtergelaten. Door de ligging aan de kust is de keileem gedeeltelijk weggeslagen en zijn de voor Friese begrippen "steile kliffen" ontstaan. Op enkele plekken is het keileem hier nog aan de oppervlakte te vinden. Het gehele noordwestelijke deel van de provincie is ontstaan onder invloed van de zee. Het hele gebied wordt ook wel de Waddenregio genoemd. Door opslibbing met zeeklei ligt dit deel hoger dan centraal Fryslân. Hier vinden we het klassieke Friese landschap van Terpen, Dijken, Polders, Waddenzee en Eilanden. Tussen deze twee landschappen in, in een diagonaal van het Lauwersmeer in het noordoosten tot Gaasterland zuidwesten vinden we veengrond. Dit is het laagste deel van Fryslân, het Lage Midden "it Lege midden". Door de lage ligging en het afgraven van veen in het verleden, is dit tegenwoordig de zone waar zich de Friese meren bevinden.

Geologisch gezien is het landschap van Fryslân zeer jong. De basis voor het huidige landschap is in de voorlaatste IJstijd gelegd. Hoe het landschap er voor die tijd uitzag is niet goed te reconstrueren. Tijdens de IJstijd kwam landijs in de vorm van grote gletsjers tot in Fryslân voor. De gletsjers begonnen in Scandinavië en namen materiaal (van stenen tot zeer fijn stof) mee tot in Fryslân. Onder de gehele gletsjer is dit materiaal als keileem afgezet. Aan de randen van de gletsjer is het tot heuvels opgestuwd. (Gaasterland) Toen het klimaat langzaam begon op te warmen smolt het ijs af en liet een kaal landschap achter. Sterke winden bedekten dit met een dikke laag zand. Alleen de hoogste delen van de morene bleven dicht aan de oppervlakte. De Noordzee was nog land. Het afsmeltende ijs veroorzaakte echter een zeespiegelrijzing. Rond 7500 v.C. toen het meeste ijs was gesmolten nam het tempo van de zeespiegelrijzing af. Aan de rand van de zee ontwikkelde zich een duinenrij.Achter de beschermende duinenrij kon het water zoet blijven. Het klimaat bleef verbeteren en de zeespiegel bleef stijgen. Achter de duinen werd het zo nat dat er zich dikke veenpaketten konden vormen. Dit gebeurde in het begin vanuit de beekdalen maar na verloop van tijd was heel Fryslân met een dikke laag veen bedekt. Toen de zee tot ongeveer de plaats waar nu de Waddeneilanden liggen was opgerukt kon hij tot achter de duinen doorbreken. Dit gebeurde bij Fryslân op de plaats waar nu Terschelling en Ameland liggen. Hier liep vermoedelijk een riviertje, de (Oer)Boorne.